Leeshoek

Fiscaal: ook in een vennootschap zijn niet alle kosten beroepsmatig

Inkomsten verworven door een vennootschap zijn fiscaal steeds beroepsmatig. U zou kunnen verwachten dat fiscaal gezien, kosten gedragen door een vennootschap logischerwijze dan ook steeds beroepsmatig zijn. Maar fiscaliteit rijmt niet met logica…

De regel

Kosten zijn fiscaal aanvaardbaar als zij gemaakt worden om inkomsten te verwerven of te behouden. Deze schijnbaar simpele regel uit artikel 49 van het WIB92 heeft al tot honderden vonnissen en arresten geleid. De ene keer zus, de andere keer zo... Zelfs ons hoogste gerechtsorgaan, het Hof van Cassatie, heeft de laatste jaren al enkele keren de steven gewend.

Tot 2015 was dit Hof van oordeel dat de fiscale aftrek van kosten in een vennootschap, naast de algemene regel dat ze als doel het verwerven of behouden van inkomsten moeten hebben, ook een band moeten hebben met het maatschappelijk doel van de vennootschap.
Zo was er bijvoorbeeld rechtspraak die de aftrek verwierp voor een appartement aan zee dat ter beschikking werd gesteld van de bedrijfsleider omdat het maatschappelijk doel van de onderneming betrekking had op IT-dienstverlening, niet het beheer van onroerende goederen.

In 2015 verlaat het Hof van Cassatie deze zogenaamde causaliteitsleer. De band met het maatschappelijk doel lijkt veel minder belangrijk te worden en het Hof focust terug meer op de vraag of de uitgave gericht is op het behouden of verwerven van inkomsten (intentionaliteitsvoorwaarde). In casu ging het om belastingplichtigen die een belegging deden die amper enig inkomen opleverde, mogelijkerwijze zelfs een verlies. Maar door de belegging werd een belastbaar inkomen omgezet in een inkomen waarop een belastingkrediet kon worden verkregen.
De rechtbanken en hoven hadden de constructie verworpen door te stellen dat de belegging niet in overeenstemming was met het maatschappelijk doel van de vennootschap. Maar het Hof van Cassatie verwijst die redenering naar de prullenmand en bevestigt dat de kosten verbonden aan de aankoop van beleggingsproducten wel degelijk aftrekbaar zijn, ook al zijn die kosten groter dan de inkomsten (interesten) die er uit voortvloeien. Uit het gegeven dat er verlies werd gemaakt mag niet afgeleid worden dat er niet de intentie was om inkomsten te verwerven.

2019

Blijkbaar was nog niet elk hof of elke rechtbank overtuigd van de nieuwe wind die door het Hof van Cassatie waait. Zodoende kwamen er recent twee nieuwe zaken voor het Hof die een gelijkaardig probleem behandelen.

In een eerste casus gaat het opnieuw over een vennootschap die obligaties koopt kort voor vervaldag. Daardoor is de koers van die obligaties erg hoog (met name omwille van de vergoeding die de belegger moet betalen voor de al gelopen interesten). Kort na de vervaldag worden de obligaties dan weer verkocht. De belegger heeft dan wel de interesten ontvangen maar per saldo zal het inkomen van deze 2 transacties niet erg groot zijn. De interestopbrengst wordt vrijwel volledig gecompenseerd door de gemaakte kosten. Maar er is een groot fiscaal voordeel: de interesten komen immers in aanmerking voor een belastingvermindering.
Opnieuw beslist het Hof dat de kosten die werden gemaakt wel degelijk gemaakt werden met het oog op het verwerven van inkomsten en daarom ook niet mogen verworpen worden omdat zij niet passen in het maatschappelijk doel van de vennootschap.
NB. deze zogenaamde FBB-constructies zijn door wetgevend ingrijpen niet meer mogelijk.

In een tweede arrest loopt het minder goed af voor de belastingplichtige: een vrij beroeper richt een managementvennootschap op. Hij bouwt een woning : op het gelijkvloers komt zijn kabinet en er boven komen 3 appartementen. Na de bouw verkoopt hij het vruchtgebruik van het gebouw aan de vennootschap voor een periode van 20 jaar. Na die 20 jaar krijgt de blote eigenaar terug de volle eigendom zonder dat hij de vennootschap een vergoeding moet betalen. Aan de inkomstenzijde zijn er de huuropbrengsten (rond 30.000 euro per jaar) terwijl de uitgaven samengesteld zijn uit de afschrijving van het gebouw en de interesten van een lening die de vennootschap aanging om het vruchtgebruik te kopen.
Het fiscale voordeel is eenvoudig: de vennootschap is een btw-plichtige en kan de btw recupereren. De inkomsten zijn volledig beroepsmatig in de vennootschap maar worden gecompenseerd door de uitgaven. Als particulier zijn de inkomsten belastbaar als onroerend inkomen en is de kostenaftrek forfaitair.
De fiscus stelt vast dat de vennootschap met deze cijfers in de hand, nooit enig vooruitzicht had op positief resultaat. De afschrijvingen compenseren zoals gezegd de inkomsten maar verder zijn er ook nog allerlei uitgaven (interesten op de leningen, lokale belastingen, herstellingen).

In het arrest bevestigt het Hof van Cassatie dat er niet moet gekeken worden naar het maatschappelijk doel van de vennootschap. Maar anderzijds is er nog wel de vereiste dat de uitgaven zijn aangegaan om inkomsten te verwerven of te behouden ... voor de vennootschap. Het kan niet de bedoeling zijn dat kosten worden afgetrokken die enkel werden aangegaan in het belang van de zaakvoerder of aandeelhouder.

Daarmee raken we ook de essentie van deze rechtspraak. Het volstaat dat de vennootschap de intentie heeft om inkomsten te verwerven of te behouden maar het moet dan wel gaan om kosten die ze in haar eigen belang heeft gedragen.
Zodoende zijn deze arresten nog steeds geen vrijgeleide voor een appartement aan zee via een vennootschap.

website door Kluwer EasyWeb